Mevrouw Mangindaan

MEVROUW MANGINDAAN

Het was een lieve vrouw. Ze was geboren in Indonesië en we werkten samen op het atelier van de damesmodezaak: Wester en de Groot in de Herestraat in Groningen. De was enige baan die ik ooit heb gehad en ik heb er 12 jaar gewerkt tot het moment dat ik ging trouwen. Zo ging dat toen! Het was niet zomaar een zaak. Nee, hij stond bekend als de sjiekste modewinkel van de stad Groningen.

Dameskleding, dus. Als je daar een plekje kreeg om te werken, mocht je van geluk spreken want je leerde het vak er grondig. Geen lopendebandwerk, nee, kleding veranderen van, zo kun je het wel noemen, welgestelde mensen.
Onder hun klanten, herinner ik mij bijvoorbeeld, bevond zich de vrouw van de commissaris van de koningin. Logisch dus dat het werk dat uit je handen kwam, altijd tot in de puntjes verzorgd moest zijn. Ook moest er wekelijks een stapel overhemden van de baas gestreken worden. Wat overigens een ontzettend lieve man was. Hoewel het wel altijd knokken was voor een paar gulden meer in de maand!

Ik begon daar op mijn veertiende te werken met nul komma nul ervaring. Twee jaar lang bestond mijn werk dan ook uit allerlei klusjes doen samen met iemand anders van mijn leeftijd.  Eén karwei dat alle dagen moest gebeuren was dat we een half uur voordat we naar huis gingen, de vloer moesten vegen. Nu klinkt dat eenvoudig, maar niets was minder waar. Het was namelijk een voorschrift dat elke naaister, dat waren er ongeveer 12-14, alle knopspelden die door haar handen gingen op de grond moest gooien. Dat hield in dat je elke dag met je handen honderden spelden tussen het stof en het vuil uit moest zoeken en dat was niet altijd een pretje. Maar het was natuurlijk niet de gewoonte om daar tegen te protesteren! Dat laatste kwam trouwens ook niet bij mij op, bescheiden als ik op die leeftijd nog was. Maar langzamerhand veranderden er dingen en kreeg ik het naaivak onder de knie. Iets waar ik de rest van mijn leven de vruchten van heb geplukt en velen met mij! Ik kan ze niet meer tellen, alle familieleden, vrienden, kennissen enz. waar ik door de jaren heen een broek, rok of mouwen voor heb ingekort! En nog meer veranderingen heb aangebracht.

Toen mijn kinderen al volwassen waren, heb ik nog een aantal jaren als thuisnaaister gewerkt voor de damesmodezaak: Maison Swarte. Alleen de naam Wester en de Groot opende al deuren!
Op het atelier werkten we met een leuke groep meisjes, die natuurlijk ook steeds aan verandering onderhevig was als er weer iemand vertrok of als er een nieuweling bij kwam.
Zelf heb ik er toendertijd een paar hechte vriendschappen aan overgehouden. Een vrouw die er uitsprong, was mevrouw Mangidaan. Ze was rond de vijftig, één van de oudsten, een rustige vrouw, altijd wat op de achtergrond. Wel kon ze heel aanstekelijk lachen. Ik had al snel door dat ze christen was. Die waren op het atelier in de minderheid. Toch had ik ook een heel goed contact met een meisje uit de Gereformeerde kerk. Met haar en haar man heb ik heel goede gesprekken gevoerd. Dit was bij hen thuis toen ik zelf nog in de twijfelfase zat wat het geloof betrof. Wat een oprechte kinderen Gods waren dat en wat hebben zij zich ingespannen om mij tot Christus te brengen!
Het was ook altijd fijn om in de buurt van mevrouw Mangidaan te zijn. Omdat ze Indonesisch was, had ze iets aparts, iets was ons aantrok.

Zo vertelde ze dat ze regelmatig muziekavonden hadden bij haar thuis (ze woonde in Roden) en dat er dan veel mensen kwamen die allerlei instrumenten bespeelden en dat er dan werd gedanst en gezongen! En zo kwam het dat ze ook mij en een ander meisje daarvoor uitnodigde. Het maakte allemaal grote indruk op mij, ook omdat ik zelf zo van muziek hield!

Maar hier bleef het niet bij. Op een dag vertelde mevrouw Mangindaan iets wat grote indruk op mij maakte (helaas wel in negatieve zin). Dat was dat zij de vaste gewoonte had om zich elke vrijdagavond af te zonderen op haar slaapkamer om de geesten van haar voorouders op te roepen! Dat vond iedereen of reuze interessant of eng. Ik wist intussen al wat meer over dat soort zaken, namelijk dat het te maken had met het occulte en dat dit beslist verboden terrein was voor een christen! Ik heb me toen wat meer teruggetrokken van haar. Dat belette haar trouwens niet om mij te benaderen met de vraag of ik er voor voelde om met haar zoon te gaan corresponderen, die zeeman was. Daar heb ik nog wel een poosje serieus over nagedacht, op de foto zag hij er niet onaardig uit! Het was voor een jong meisje als ik natuurlijk best wel spannend, maar het is er toch nooit van gekomen. Twaalf jaar ben ik op dat atelier geweest en ik kan rustig zeggen dat het heel mooie jaren waren. Voor mij heel waardevol om verschillende redenen.

De twee meisjes waar ik  echt mee bevriend was geraakt, gingen helaas een hele andere richting uit. Rita sloot zich aan, samen met haar man, bij de Jehova’s Getuigen waardoor een normaal contact helaas onmogelijk werd. En Gerry, (gelovig en héél lief) raakte verslaafd aan drugs en alcohol. Haar ben ik uit het oog verloren.

En, weet u, dat doet nog altijd een beetje pijn, vooral als ik een enkele keer weer eens in een oud fotoalbum duik en foto’s zie van bijvoorbeeld gezamenlijke vakanties of uitstapjes met haar.
Ik bid dan in stilte, dat het met haar ook goed gekomen is.

Maria Riksten-Brouwer